Wat ik van Noah (2) kan leren…

Hij kijkt me met zijn grote blije kijkers aan.
“Papa als ik jarig ben dan krijg ik een fiets he?” 
“Ja jongen, dat hebben we beloofd”
“Met wieltjes erbij he?”
“Compleet met wielen jongen”

Hij kijkt zeer voldaan en tevreden. Zijn verjaardag zal nog een paar maanden op zich laten wachten. Toch lijkt het alsof hij de fiets al kan aanraken. Een van zijn favoriete kinderliedjes is ‘hiep hiep hoera’ van kinderen voor kinderen… Vooral het aftellen en daarna feesten is natuurlijk leuk!

Op dezelfde manier kan hij zich verheugen op alles wat we hem beloven. Logeerpartijen bij opa en oma. Op het bezoekje aan de dierentuin (“als ik heel goed zelf naar de wc kan, gaan we naar de dierentuin he? Met de trein!!”).

Hij houdt me regelmatig mijn eigen beloftes voor om even te checken of papa het nog wel weet. En steeds weer die blije lach als zijn verwachting wordt bevestigd met een ‘ja jongen, dat is zo’. Hij vertrouwt ons en heeft ook nog geen reden gekregen om onze beloften te wantrouwen.

Je voelt de vergelijking al aankomen misschien. Ik wil ook voluit en blij leven vanuit de beloften van God. De hemelse Vader die nog nooit zijn Woord heeft gebroken. Ook al laat de verwezenlijking soms nog even op zich wachten (of zien we het soms niet). Geloven is vandaag (durven) dansen op de muziek van morgen. Omdat we voor waar houden wat Jezus zei. Omdat we ons vertrouwen erop stellen. Noah’s ogen zijn nu al blij door de fiets die hij verwacht. Hij weet zeker dat de fiets komt. Want papa zei het…

De Bijbel staat vol met ankers voor onze hoop. Beloften waar we vandaag al blij van kunnen worden.

In deze hoop (dat er een einde aan al het lijden komt, red.) zijn we gered. Als we echter nu al zouden zien waarop we hopen, zou het geen hoop meer zijn. Wie hoopt er nog op wat hij al kan zien? Maar als wij hopen op wat nog niet zichtbaar is, blijven we in afwachting daarvan volharden. (Romeinen 8)

 

“Wees niet ongerust, maar vertrouw op God en op mij. In het huis van mijn Vader zijn veel kamers; zou ik anders gezegd hebben dat ik een plaats voor jullie gereed zal maken? Wanneer ik een plaats voor jullie gereedgemaakt heb, kom ik terug. Dan zal ik jullie met me meenemen, en dan zullen jullie zijn waar ik ben.”