Irak. God ziet toch Zelf ook dat dit niet kan?!

De beelden uit Irak laten me niet los. Voor ik naar bed ga denk ik aan de kinderen die werden onthoofd. De afschuwelijke brute moorden op weerloze mannen en vrouwen. De foto’s en filmpjes staan op mijn netvlies gebrand. Onder hen veel christenen. Kinderen van God. Wat zullen ze tot Hem hebben gebeden toen de ‘troepen’ van ISIS dichterbij kwamen. Gesmeekt om hen te beschermen. Hun lieve jonge kinderen te sparen voor wat hen te wachten stond.

Als ik alleen al denk aan mijn eigen vrouw, mijn zoon en net geboren dochtertje en ik verplaats me dan in situatie van een mede-christen in Irak dan krimpt mijn hart ineen. Ik ben boos. Ik begrijp er niets van. Vind het ook moeilijk om ervoor te bidden. God ziet het toch Zelf ook?

Als ik vervolgens in de krant lees dat de regering vragen stelt over de situatie en het onderwerp ‘bedreigde minderheden in Irak’ op de agenda zet, kan ik wel schreeuwen. Dit heeft geen zin. We kunnen hier praten en agenda’s maken tot we erbij neervallen, maar terwijl wij onze zorgen uiten en eens diep zuchten dat dit toch echt niet kan worden 4500 km verder onschuldige kinderen vermoordt. Zien ouders hun kleintjes sterven van dorst en honger, in het nauw gedreven door bezeten mannen.

“Laat het los” hoor ik. “Je kunt de wereld niet op je schouders nemen.” Maar we hebben onze schouders toch ook niet gekregen om ze enkel op te halen en over te gaan tot de orde van de dag? Als dit soort dingen plaatsvinden moeten we toch boos worden. Schreeuwen! Moord! Maar ik hoor door mijn open raam geluiden van de zomerkermis, vrolijke muziek en vermaak.

Ik deed een poging om hierover te bidden. Had weinig woorden. Was misselijk door het zien van foto’s van barbaars vermoorde broers en zussen. Ik bad: “Here! Here! Hoe kunt U dit aanzien? Waarom redt U hun leven niet? Waarom zien deze weerloze mensen die op U vertrouwen Uw redding niet.” Het antwoord dat in mijn binnenste opkwam was lastig. “Ik red ze wel. Hun leven is in mij geborgen. Ze behoren mij toe en zijn bij Mij eeuwig veilig”.

Ik moest denken aan Stefanus. Vlak na het onstaan van de eerste christelijke gemeente was hij een man vol van God. Ook toen onstond een felle haat tegen christenen. Uiteindelijk werd Stefanus door een woedende menigte de stad uitgedreven en werd hij gestenigd om zijn geloof in Jezus Christus. Hij riep wel vlak voor zijn sterven dat Hij de hemel geopend zag en Jezus aan de rechterhand van de Vader. Hij bad nog om vergeving voor de moordenaars vlak voordat de stenen werden geworpen. “Ze weten niet wat ze doen”. Dat gebed had Jezus ook gebeden toen hij werd vermoord. Ik weet dat de afgelopen week ook broers en zussen van ons zijn gestenigd en gekruisigd in Irak. En die gedachte maakt me verdrietig en misselijk. Wat hebben zij gedacht?

Wat ik van Stefanus leer is dat hij  uitzicht had over de dood heen naar een eeuwig leven. Naar een Troon waar Iemand zit die zal oordelen over de levenden en de doden. Ze zullen eeuwig bij Hem zijn en hun moordenaars zullen op een dag voor dezelfde Troon verschijnen en er zal gerechtigheid zijn. Ik wil dat geloven. De Bijbel belooft gerechtigheid. Hij zal rechtspreken. En het recht zal zegevieren.

Toen Stefanus werd gestenigd was daar een jongeman bij, Saulus. Hij vond het een goede zaak dat christen Stefanus ter dood werd gebracht. Na de moord op Stefanus brak een felle vervolging uit waardoor, ook toen, christenen hun huizen moesten verlaten en op de vlucht sloegen. Op die manier verspreide het evangelie zich buiten Jeruzalem.

Het geloof in Jezus laat zich niet uitroeien. Dwars door pijn en aanvallen vanuit de hel zelf, zal de Kerk van Christus zal eeuwig blijven staan. Het kostte Zijn Leven. En velen na Hem betaalden dezelfde prijs.

Saulus sloot zich aan bij de vervolgers en met groot geweld sleepte hij mannen en vrouwen hun huizen uit. Ook dat komt bekend voor he? Hij dacht God een dienst te bewijzen door christenen te bestrijden. Maar er komt een moment dat hij in het licht wordt gezet en een Stem hoort. Deze Stem van Jezus zegt: ‘Saulus, Saulus, waarom vervolg je MIJ’. Het raakt me dat Jezus deze woorden gebruikt. Want tegen wie streed Saulus in zijn haat. Tegen christenen. Mannen. Vrouwen. Kinderen wellicht. Hij sloeg hen. Hij trok hen hun huizen uit. Hij liet hen terecht staan voor hun overtuigingen.

Maar Jezus maakt het persoonlijk. Hij zegt letterlijk. Als je aan hen komt, kom je aan Mij. Als je de kinderen van God slaat. Dan voelt Jezus de pijn. Dat maakt dit verhaal me duidelijk.

Ik mag bidden tot een Jezus die de pijn nog veel dieper voelt dan ik dat kan. Hij voelt wat Zijn lichaam in Irak meemaakt. Hij ziet het. Hij ziet geen moord over het hoofd. Geen brute daad zal ongemerkt voorbij gaan. Er komt een moment van gerechtigheid. En, door tranen heen, mag ik proberen te bidden. Ook als ik geen woorden heb. Als een deel van het lichaam lijdt, voelt het hele lichaam de pijn. Ik bid dat onze broers en zussen in Irak kracht zullen ontvangen om stand te houden. En ik bid uit het diepst van mijn wezen dat ze Hem zullen zien te midden van de hel die rondom hen is losgebarsten. En natuurlijk is het mijn gebed dat de wereld wakker zal worden en dat politiek leiders hun invloed en landen hun krachten zullen bundelen op op te komen voor de zwakken die vandaag, op dit moment zelfs, worden vermoord.